Op de brommer de wereld in

 

Er was een tijd dat iedere tienerjongen (in die jaren ‘teenager’ genoemd) de dagen tot zijn zestiende verjaardag afvinkte. Want vanaf die dag mocht hij met een brommer de openbare weg op. “En dan”, zoals Aldert Dijkstra (71) het uitdrukt “ging de wereld los. Dan vlogen we overal heen.” Tegenwoordig woont Dijkstra in Waskermeer, maar zijn jeugd speelde zich in Groot Wateren en omgeving af.

In die jaren was de brommer hét vervoermiddel van de gewone man. Bromfietsen waren vooral op het platteland te vinden. In Friesland was de brommer opvallend populair in Ooststellingwerf. Daar bezat een kwart van de gezinnen een brommer (tegen nog geen achtste van de gezinnen in Menaldumadeel). Althans, volgens een onderzoek dat het Centraal Bureau voor de Statistiek in 1957 deed.

De Leeuwarder Courant haalde op 27 juli 1957 wat Friese wetenswaardigheden uit dat onderzoek: “In Friesland zijn de meeste brommers in landgemeenten waar een arbeidersbevolking woont die zich veel verplaatst, hetzij forens in de industrie is, hetzij in bouwvak of grondwerk dagelijks soms tientallen kilometers moet afleggen.” Waarom juist zo veel mensen in Ooststellingwerf een brommer bezaten was de redactie ook niet helemaal duidelijk. Het ‘volkskarakter’ misschien? “Een bewegelijk mens heeft dikwijls ook een bewegelijke geest en de Waldtsjers (bromfietsers met hartstocht) zijn nu eenmaal mobiel van aard.” Of was het de liefde voor motoren? “In de Stellingwerven, vooral in Noordwolde en Prikkedam, is de motorsport heel populair.”

Niet dat een brommer nu zo goedkoop was. De achttien jaar oude Aldert Dijkstra telde in 1960 dik 700 gulden voor zijn eerste exemplaar neer: een sportmodel Victoria Avanti. Voor zo’n bedrag moest je toen als jongeling toch gauw een jaar werken. “Vader en moeder steunden me, anders had het niet gekund.” Hier in de buurt waren vooral ‘buikschuivers’ te zien. “Een hoop lui reden op Batavus”, weet Dijkstra nog. In Oosterwolde woonden wel wat Puch-rijders, maar dat was ‘apart volk’ in zijn ogen: “Geen boerenvolk.”
Victoria_Avanti__01

De brommerjeugd zocht regelmatig zijn vertier in Appelscha. “Daar was altijd wat te doen. Allemaal meiden van elders.” De jongens uit Noordwolde stonden er bekend als ruige types. “Ze hadden een leren jack aan, net als ik, maar verder viel het wel mee”, nuanceert Dijkstra dat beeld. Hij kijkt lachend terug op de zomers van toen: “We jakkerden op onze bromfietsen tussen al het volk door, maar op een gegeven moment kwam daar een verbod op.”

Uiteraard was de wettelijke maximumsnelheid de jonge berijders niet hard genoeg. De meeste brommers werden al snel na aankoop opgevoerd tot een maximum van 60 of 70 kilometer per uur. Vader en moeder Dijkstra hoefden dat niet weten: “Mankeert er nu al wat aan, zei mijn vader toen hij mij na veertien dagen zag sleutelen. Ja, zei ik, het loopt niet helemaal goed. Ik zei niet dat ik er een boor door haalde.”

Als het maar even kon ging de gaskraan bij Dijkstra en zijn vrienden vol open. Soms ging dat wel eens wat te ver. Bijvoorbeeld die keer dat ze met een man of zes een bromfietsrace door Zorgvlied hielden. Met de rondjes die ze toen vol gas over de Dorpsstraat en Wateren reden, maakten ze op zijn zachtst gezegd geen vrienden. “De mensen hier waren zo kwaad!” Dat het voorval Dijkstra na al die jaren nog helder voor de geest staat, zegt wel genoeg…

Op de brommer werden grote afstanden overbrugd. Aldert Dijkstra herinnert zich dat hij als jongetje van twaalf achterop meeging naar familie in Amsterdam. In Zwolle maakten ze na anderhalf uur een tussenstop en dronk hij voor het eerst van zijn leven frisdrank: een glaasje cassis van Hero. “En dat was hartstikke lekker!” De bestuurder van de brommer was overigens pas vijftien, maar hij was zo uit de kluiten gewassen dat hij voor zestien kon doorgaan als het moest.

Toen hij zijn eigen brommer had, kwamen Aldert en wat leeftijdgenoten in de vakantie soms wel tot bij de grens met Oost Duitsland. Maar ook voor de Moesel of de Harz draaiden ze hun hand niet om. Begin jaren zestig waren dat bestemmingen die lang niet voor iedereen weg waren gelegd, laat staan voor jongens van een jaar of negentien. “We hadden de tent achterop, op de buddyseat. De bagage verdeelden we over de verschillende brommers, anders werd het gewicht op de achteras te groot.”

Groen als gras waren ze. In Duitsland liepen de jongens gewoon op klompen rond: “Alle Duitsers moesten lachen.” Geen van allen spraken ze een woord Duits. Dat sommige verkeersregels anders waren, was ook even wennen: “We mochten daar niet op het fietspad rijden, wisten wij veel. Dan flikkerden die Duitsers met hun lichten.” Voor het eerst van hun leven zagen ze vierbaanswegen. Thuis hadden ze Aldert Dijkstra al gewaarschuwd: “Kom niet met de bromfiets op de Autobahn, want ze rijden je dood.”

Soms was het improviseren onderweg. Zoals toen een van de vrienden zestien gebroken spaken in het achterwiel had. Gelukkig waren ze handig en kon de schade met een aantal exemplaren van het Duitse merk Zündapp verholpen worden: “Die waren wel wat anders, maar ze konden erin.” En wat doe je als de aandrijfsnaar van je brommer breekt? Hoe heet zo’n ding in het Duits? ‘Piano’ stond er op, dus dat maar geprobeerd. Vol onbegrip luisterden de aangesproken Duitsers naar de jongens. Tot iemand opmerkte dat ze naar een ‘Nylon Rieme’ op zoek waren. Die hadden ze in Kassel. Aldert Dijkstra: “Maar dat was vanaf de camping veertig kilometer heen en terug.” Ze hadden echter geen keus.

Hoe rap ze soms ook gingen, een haas op snelheid kregen ze niet klein. Op Canada dook die eens ’s avonds in hun koplampen op. “Gas d’r op”, schreeuwden ze tegen elkaar. Maar ze haalden hem niet in. Zelfs bij 60 kilometer per uur bleef de haas de brommers de baas. Aldert Dijkstra: “Als wij gas bij gaven, dan gaf hij ook gas bij!”

Brommers zie je praktisch niet meer. Met het toenemen van de welvaart kwam de auto voor steeds meer mensen binnen bereik en die had toch wat meer status en comfort. De invoering van de helmplicht was in de jaren zeventig de genadeslag voor de tweetakt. Vooral vrouwen haakten af. Bij Aldert Dijkstra is de liefde voor het ‘rijwiel met hulpmotor’ echter nooit bekoeld. Hij heeft nog steeds wat exemplaren op zijn erf staan. Die bromfietsen herinneren hem aan vervlogen, maar o zo mooie tijden!

Hans van Eeden (februari 2014)

Dit verhaal is gebaseerd op een gesprek dat Cor Goettsch en de auteur (beiden lid van de Historische Werkgroep Zorgvlied-Wateren) op 11 december 2013 met Aldert Dijkstra hadden.

(Op deze tekst is het auteursrecht van toepassing. Overname alleen met toestemming van www.dejuistetekst.nl)

Geef een reactie